Ik bestel de granen, de mouten en de hoppen voor het volgende brouwsel. Geen groot gebaar: aantallen controleren, zakken voorzien, één soort terugvinden. En dan blijkt er soms iets te ontbreken.

Vandaag blijft een niet-leverbare hop een beperkte hinder. We wachten, passen aan, schuiven de planning wat op. Het brouwsel verdwijnt er niet door. Toch brengt zo’n klein tekort je even terug naar een tijd waarin graan veel meer was dan een grondstof voor bier.

Oude vermeldingen uit Durbuy spreken al over hopgaarden rond de stad. Dat spoor vraagt nog om voorzichtigheid, maar het raakt aan iets wezenlijks: bier stond hier nooit los van de bodem, de tuinen en de oogst.

Aan het begin van de achttiende eeuw werd brouwen in jaren van slechte oogst soms verboden of beperkt, zodat het graan voor voedsel behouden bleef. Een lokale geschiedenis van Durbuy, die verwijst naar ordonnanties van de proosdij, vermeldt dat het brouwen in 1709, na een zware graancrisis, in het hof van Barvaux werd verboden.

Het is goed om stil te staan bij wat dat betekende. Bier was niet alleen een drank voor het plezier. Het hoorde bij het gewone ritme van huizen, herbergen, werk en maaltijden. Het tijdelijk wegnemen raakte aan een dagelijkse gewoonte, maar ook aan een reëel deel van de voeding.

Graan moest eerst brood worden, pap, zaaigoed, voorraad. In moeilijke jaren kwam de brouwerij na de eerste noodzaak. Het brouwen, dat men zich soms vrij en vrolijk voorstelt, hing in werkelijkheid af van een kwetsbaar evenwicht: de grond, de markt, de oogst, de beslissingen die genomen worden wanneer alles schaars wordt.

Wanneer ik vandaag naar een ontbrekende hop zoek, weet ik hoe snel de vergelijking ophoudt. Voor ons zijn de gevolgen klein. Maar het oponthoud herinnert aan iets eenvoudigs: een bier begint lang vóór de ketel. Het begint bij wat het seizoen heeft overgelaten.