Toen ik las over de nieuwe regels rond alcoholreclame, bleef één zin hangen: alcohol schaadt de gezondheid. Voortaan moet die waarschuwing zichtbaar op alcoholreclame staan. Goed leesbaar, contrasterend, en groot genoeg om niet te worden weggemoffeld.

Natuurlijk raakt zoiets ook een brouwerij. Niet alleen de affiches of de communicatie, maar het vak zelf. Het raakt het product in het glas, het café, de terrastafel, de manier waarop mensen samen iets drinken.

Daar moeten we niet licht over doen. Alcoholmisbruik bestaat. Het maakt levens kapot. Een brouwer die dat ontkent, begrijpt zijn eigen vak niet. Maar een glas bier dat met aandacht wordt gebrouwen, vraagt ook om aandacht wanneer het wordt gedronken.

België kent die spanning al lang. In 1919 kwam de wet-Vandervelde. Die richtte zich vooral op sterke drank, jenever, openbare dronkenschap, armoede en gezinnen die onder alcohol leden. Bier stond toen in een andere categorie: een gegiste drank, verbonden met cafés, maaltijden, dorpen, werk en rust. Niet onschuldig, maar ook niet hetzelfde.

Vandaag lijkt die nuance kleiner te worden. De oude zin sprak nog over vakmanschap en verstand. Daarna kwam misbruik. Nu hebben we het vooral over gevaar en gezondheid.

In de dependance van het Château de Durbuy voelt dat dichtbij. Wij brouwen zonder excuus, maar ook zonder achteloosheid. Wij brouwen bier dat zijn plaats kent: aan tafel, in gezelschap, met mate.

Misschien is dat wat een kleine brouwerij kan blijven verdedigen. Niet het recht om zorgeloos te drinken, maar het recht om verschil te maken. Tussen genieten en overdaad. Tussen waarschuwen en beangstigen. Tussen alcohol als probleem en bier als cultuur.

Een bier dat met aandacht, precisie en vakmanschap wordt gebrouwen, is ook een eerbetoon aan de plek waar het vandaan komt. De waarschuwing kan op papier staan. Het besef moet in het vak zitten.

Geniet van uw drankje, mocht het er een van ons zijn of van een ander. Maar altijd met mate.